Frame[d]-Identities

fiflyerIdentiteit verwijst zowel naar een identiek zijn als naar een specificiteit. Een identiteit vormt zich vanuit een afgrenzen van wat anders is. Maar de grens is poreus. Een kader op zijn beurt bakent af, perkt in, maar laat ook door. De keuze voor de titel Frame[d]-Identities bij deze tentoonstelling ontstond vanuit deze ambiguïteit die zich manifesteert in het werk van Nina Vanhee en Waldrada Onzea. In de keuze en opstelling van de werken lag dan ook de uitdaging om de raakpunten en de verschillen te tonen en te verweven: een parcours waarbij de werken elkaar versterken. Een dialoog tussen beklijving en verstilling, tussen rust en onrust, tussen tonen en verbergen.

Beide kunstenaars hebben een affiniteit met wat buiten de afbakeningen, de normen van het systeem valt. Sporen, brokstukken, beelden die de mens vergeet en achterlaat, gaan in hun werk een eigen leven leiden. Ze verhullen een onbestemd geheim, een geschiedenis van waar ze ooit mee verbonden waren. Altijd is er een rest die zich niet laat presenteren, zich niet laat articuleren. In tegenstelling tot het rumoer van de buitenwereld toont zich in het werk van Onzea en Vanhee een verstilling. Onzea gooit ons in alle stilte een beklijvend en mysterieus beeld voor de voeten, waarmee ze de sociaal-politieke werkelijkheid bevraagt en ondergraaft. Ze doet dit met een zekere bruutheid vanuit de materie waarmee ze werkt. Nina Vanhee stelt juist het beeld zelf en zijn representatie in vraag. Zij hanteert de stilte, het desolate als een protest. Beiden verbeelden wat zich rondom hen afspeelt. Zij deconstrueren, ontrafelen en verstoren het geordende systeem. Hun werk is gewild fragmentarisch en leggen daarbij de nadruk op die 'gebrokenheid': het verdwijnen van het beeld. Zij ondergraven de vaste betekenis en spelen met verschuivende contexten. Samen breken zij in en stellen present en laten de toeschouwer niet onberoerd.

Hebben wij een vaste identiteit? Het sociaal-politieke systeem geeft ons een administratieve identiteit, bakent af, ordent en sluit uit. Kadert ons in. Maar onze eigen identiteit is contextueel en manifesteert zich op de verschillende knooppunten van het weefsel van relaties dat complexer en mobieler is dan ooit. Een identiteit is dan ook fragiel en vergankelijk. Het is niet langer een stabiele opslagplaats van ervaringen en herinneringen, een in-zichzelf-zijn, maar een nomadisch proces in constante verandering: een zelf-in-actie. De hedendaagse identiteit wijzigt zich voortdurend, heeft vele gezichten. Verschillende mensen hebben een verschillend beeld van ons. Identiteit is als een voortdurend verglijden van beelden, die we echter ook snel vergeten. Wat zit er achter die beelden? We zijn op zoek naar een onvindbare identiteit en zijn bang niets te vinden. Het werk van Onzea en Vanhee is dan ook een blijven stilstaan bij. Wat als in al dat rumoer het beeld ongezien verdwijnt?

Identiteit is ambigu, dubbel. De grens van het ik is niet langer duidelijk afgebakend, maar laat de buitenwereld constant door en omgekeerd. De buitenwereld, het andere, dringt constant binnen in onze leefwereld. We zijn een in-de-wereld zijn, een niet aflatend veranderend gebeuren. Tegelijk blijft er veel verborgen, is er steeds een onnoembare rest in dat huis met vele kamers waarvan niet alle verdiepingen toegankelijk zijn. Of zoals filosoof Erik Oger het 'zelf' ooit wist te vatten als een labyrint van onvernoemde tussen-verdiepingen. Van geheime alkoven en donkere opkamertjes, valse wanden, diepe kelders en vergeten zolders.

Het kader, zo stelt Vanhee, heeft net zoals architectuur een dwingende ruimtelijke structuur 'waarin mensen vastzitten' en er zich tegelijk doorheen kunnen bewegen. Een ruimte kadert, sorteert en kan bepalen wat mensen doen. Maar juist de act van het afbakenen, het begrenzen en uitsluiten legt een grotere nadruk op het ongrijpbare, de ondefinieerbare rest. Het toevallige, het onbeheersbare enerzijds en het ondergraven van de controle anderzijds in het werk van Vanhee en Onzea onttroont, doorbreekt het controlemechanisme.

Het inkaderen en afgrenzen werkt enerzijds beschermend, stelt duidelijke bakens en limieten en geeft een gevoel van veiligheid. Wat buiten het kader valt zorgt voor verwarring, ontregelt en wordt gemarginaliseerd en dus uit voorzorg ofwel buiten het kader gesloten ofwel geïncorporeerd, onschadelijk gemaakt en gehomogeniseerd. Tegelijkertijd wordt wat binnen het kader valt gelimiteerd, begrensd: [inge]kader[d] en tevens inge[kader]d. Dit afsluitingsmechanisme be-veiligt en streeft naar een uniformiteit. Wat zich niet laat vatten wordt uitgesloten. In die zin wordt het omkaderen en inkaderen een daad van geweld.

Maar, zoals Vanhee het stelt, het is juist de 'fout', en het zijn de dingen die niet kloppen die iemand uniek maken. Het is onmogelijk een kader, een systeem, een identiteit zuiver te houden van elke contaminatie. De hedendaagse ruimte is doorlatend, poreus. Het afschermen van de eigen identiteit gaat samen met de angst voor het verlies van die identiteit. De angst voor het onbepaalde, voor het niets. De angst dat elk beeld zou verdwijnen. Een absolute bescherming, een absolute begrenzing is dan ook een vernietigend afsluiten van elke mogelijkheid, van een absoluut vergeten van het andere en dus de dood.

Waar begint wat erbuiten valt? Het niet zichtbare, de stilte, de leegte, het geheimzinnige, het onbepaalde... Ze maken deel uit van het werk van Vanhee en Onzea. Wat buiten de installatie, het canvas gebeurt contamineert het kunstwerk zelf, wat zich binnen het kader bevindt. De baken wordt ambigu. Wat ordent en omkadert wordt gedeconstrueerd. Wat aan ons oog, aan onze aandacht ontsnapt, zoals het lege doek, de achtergrond, het detail, is hier geen pure bijzaak, maar wordt in het werk van Onzea en Vanhee juist naar voren gehaald.

De 'accrochage' van Frame[d]-Identities toont in haar vorm hoe de ruimtelijke grens van het werk niet meer volledig afgebakend is. Het werk komt in rechtstreeks contact te staan met de ruimte en de werken rondom. Die dubbelzinnigheid tussen afbakenen en doorlaten, doet de werken met elkaar interageren in de ruimte. In die zin wordt ook de toeschouwer als identiteit die wezenlijk deel uitmaakt van de artistieke ruimte ondervraagt, geïnterpelleerd. Zowel Vanhee als Onzea getuigen in hun werk van de sporen die de buitenwereld achterlaat. Ook door de specificiteit van Echo.Base als kelderruimte ontstaat een nieuwe afbakening. Frame[d]-Identities creëert zodoende een tussengebied dat noch binnen noch buiten is en zowel binnen als buiten.

Er is geen ultiem omvattend kader of perspectief. Juist het verdwijnen van het traditionele kader maakt de kunst en de samenleving in het algemeen complexer en intenser. Het geeft de mogelijkheid dat we iets uit een totaal ander perspectief kunnen zien. Men kan nieuwe contexten blijven creëren, de hedendaagse kunst is in die zin onuitputtelijk. Nieuwe perspectieven worden echter gecreëerd in het kader van reeds herkenbare perspectieven die soms strijdig zijn. Het werk van Onzea en Vanhee toont dan ook vanuit de interactie het verglijden van identiteit en betekenis. Samen geven ze een nieuw uit-zicht op het vergeten en hermaken. Zijn ze een getuigen van een ver-gezicht. Geen rumoerig gebeuren, geen luide schreeuw, maar een gebeuren in stilte dat confronteert en herinnert aan iets wat we in se weten maar waarvan we de neiging hebben het te vergeten, te veronachtzamen.

©Eva Steynen, Antwerpen december 2008
curator Frame[d]-Identities
foto's©Thierry Jorissen